Wie bepaalt de bezoldiging van bestuurders bij staatssteun?

Remuneratie

ING draaide de bonussen terug. Was dat terecht, vragen Fanou van Brugge en Hugo Reumkens van Van Doorne zich op juridische gronden af. ‘Ten aanzien van de vaststelling van de bezoldiging van bestuurders geldt dat deze bevoegdheid bij de RvC ligt. Ten aanzien van het beleid geldt dat de AvA het bevoegde orgaan is, hoewel het erop lijkt dat in het geval van staatssteun de vox populi een aardige duit uit het zakje van de bestuurder haalt.’

De beloning van bestuurders staat onverminderd onder druk. Er is een langlopende maatschappelijke discussie gaande met betrekking tot de hoogte en vorm van bonussen die zich nu sterk richt op het bonusbeleid bij banken die overheidssteun hebben ontvangen. De ophef omtrent de aan de bestuurders van ING toegekende bonus resulteerde afgelopen maand in een aankondiging van minister Jan Kees de Jager: de bonusregeling ten aanzien van staatssteun-banken moet worden aangescherpt.

Naar aanleiding van de financiële crisis ontving ING in 2008 tien miljard euro staatssteun. Als voorwaarde voor de steunverlening bedong de staat onder meer het recht twee commissarissen aan te bevelen voor benoeming door de raad van commissarissen. Deze overheidscommissarissen beschikken over bijzondere bevoegdheden, onder meer ten aanzien van het beloningsbeleid. Begin dit jaar werd de beloning voor bestuurders over 2010 bekendgemaakt. Hoewel de bonus met instemming van de RvC en in overeenstemming met het remuneratiebeleid was toegekend, leidde dit tot grote ophef in de politiek en media en zag het ING-bestuur af van zijn aanspraak op de bonus.

Daarop kondigde de minister van Financiën een wetsvoorstel aan dat het onmogelijk maakt dat door de Staat gesteunde banken in de toekomst bonussen uitkeren. Verder werd in de Tweede kamer een - inmiddels omstreden - motie van PVV-Kamerlid Roland van Vliet aangenomen om bonussen met terugwerkende kracht volledig te belasten. Deze recente ontwikkelingen ten aanzien van het bonusbeleid van ING roepen de vraag op wie nu eigenlijk bevoegd is te beslissen over de beloning van bestuurders: de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA), de raad van commissarissen (RvC) of het gesundes Volksempfinden?

Op grond van artikel 2:135 lid 3 BW wordt de bezoldiging van bestuurders vastgesteld door de AVA, tenzij in de statuten een ander orgaan is aangewezen. In overeenstemming met hetgeen wordt aanbevolen in de Nederlandse Corporate Governance Code betekent dit in de praktijk meestal dat de RvC het orgaan is dat de bezoldigingen vaststelt. Volgens de Best Practice-bepaling II.2 van de corporategovernancecode stelt de RvC op voorstel van de remuneratiecommissie de bezoldiging van de individuele bestuurders vast, een en ander binnen het door de AVA vastgestelde bezoldigingsbeleid. Verder dient de RvC in zijn jaarlijks verslag de hoofdlijnen van het remuneratierapport betreffende het bezoldigingsbeleid van de vennootschap op te nemen. In het verslag wordt verantwoording afgelegd over het gevoerde bezoldigingsbeleid. Ook wordt een overzicht gegeven van het te voeren beleid. Hierbij moet de RvC onder meer aangeven wat de verhouding is tussen het vaste en variabele deel van de beloning, alsmede met welke groep van ondernemingen (peer group) rekening is gehouden bij de vaststelling van het bezoldigingsbeleid.

Uit het reglement waarin de taakverdeling en werkwijze van de raad van commissarissen (RvC) van ING is vastgelegd, volgt dat het vetorecht van de overheidscommissarissen betrekking heeft op belangrijke aangelegenheden, waaronder voorstellen aangaande het beloningsbeleid. Dit betekent dat een overheidscommissaris een besluit dat door alle andere commissarissen goedgekeurd wordt, kan blokkeren. Deze bevoegdheid van de Staat in de RvC heeft aanleiding gegeven tot publiciteit en Kamervragen. Vermoedelijk is het vetorecht van overheidscommissarissen niet afdwingbaar, aangezien het niet in overeenstemming is met de corporategovernancecode en artikel 2:140 lid 4 BW dat uitdrukking geeft aan het beginsel van collegiale besluitvorming. Er wordt immers een blokkeringsrecht toegekend aan bepaalde leden van de RvC. Een besluit van de RvC dat is genomen zonder acht te slaan op het vetorecht, zal daarom niet snel aangetast kunnen worden door de Staat. Wordt een voorstel aangaande het beloningbeleid door de RvC aangenomen, dan is vervolgens de AVA bevoegd tot vaststelling hiervan.

Kortom, ten aanzien van de vaststelling van de bezoldiging van bestuurders geldt dat deze bevoegdheid bij de RvC ligt. Ten aanzien van het beleid geldt dat de AvA het bevoegde orgaan is, hoewel het erop lijkt dat in het geval van staatssteun de vox populi een aardige duit uit het zakje van de bestuurder haalt.

www.vandoorne.com

Auteur(s)
Hugo Reumkens
Fanou van Brugge
Dit artikel is gepubliceerd in
gu2011-04

Nationaal Register

Jan van Nassaustraat 93
2596 BR Den Haag
T 070-324 30 91
info@nationaalregister.nl

Volg ons op social media

Governance Update nieuwsbrief