Tabaksblat hoeft MVO niet te verankeren

Volgens de commissie-Burgmans moeten ondernemingen rekening houden met 'een aantal gerechtvaardigde belangen uit de samenleving'. De nieuwe code-Tabaksblat neemt de aanbevelingen van de commissie op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen op bijna alle onderdelen  over. De vraag is echter – volgens Lieke van Aarssen van Van Doorne - of de code-Tabaksblat wel het juiste middel is om invloed uit te oefenen op het MVO-beleid van ondernemingen.

MVO geldt momenteel in Nederland als een door ondernemingen zelf opgelegde norm. Handelen conform die norm kan in beginsel niet juridisch worden afgedwongen. Nu  MVO in de code-Tabaksblat wordt opgenomen, zal dit niet wezenlijk veranderen ten aanzien van beursgenoteerde vennootschappen. Op de code-Tabaksblat is immers het ‘pas toe of leg uit-principe’ van toepassing en vennootschappen kunnen onder omstandigheden dus van de bepalingen uit de code afwijken.

Omdat integrale naleving van de code slechts in beperkte mate kan worden afgedwongen, is het goed te benadrukken dat belanghebbenden ook zonder code  al de mogelijkheid hebben om invloed uit te oefenen op het MVO-beleid van ondernemingen. Zo zouden aandeelhouders bijvoorbeeld invloed kunnen aanwenden door gebruik te maken van hun aandeelhoudersrechten. Daarbij valt te denken aan het benoemen en ontslaan van bestuurders, het in aanmerking brengen van bestuursbesluiten voor vernietiging of gebruikmaken van de enquêteprocedure. Overigens heeft de commissie de aanbeveling van de commissie-Burgmans die ziet op de institutionele beleggers niet overgenomen. Dit gaat volgens de Monitoring Commissie het bereik van
de code te buiten.

Uit de Batco-uitspraak van 1979 volgt al dat van wanbeleid kan worden gesproken als sprake is van ‘strijd met elementaire beginselen van het ondernemerschap’. Het niet hebben of niet naleven van een MVO-beleid lijkt daarmee onderwerp te kunnen zijn van een enquêteprocedure. Voor werknemers bestaat de mogelijkheid om via de OR invloed uit te oefenen op het MVO-beleid. En ook belanghebbenden die slechts een contractuele relatie met een onderneming hebben, kunnen invloed uitoefenen. Zij kunnen in contracten opnemen dat bepaalde MVO-doelstellingen dienen te worden gerespecteerd, hetgeen in Angelsaksische jurisdicties ook steeds vaker gebeurt.

Ten slotte bestaat er voor directe stakeholders de mogelijkheid om op grond van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW een actie in te stellen. Ook zonder de aanbevelingen van de commissie-Burgmans en het overnemen daarvan in de code zou men namelijk kunnen stellen dat volgens de geldende verkeersopvattingen MVO beschouwd moet worden als een maatschappelijke norm. De vrijwillige keuze om geen MVO-beleid te hebben of het niet na te leven, bestaat dan niet meer.

Ondernemingen kunnen het zich steeds minder permitteren om MVO te negeren. Overigens volgt uit het feitelijk gedrag van ondernemingen ook dat het (inter)nationale bedrijfsleven MVO als een vanzelfsprekende taak ziet. En voor zover dat (nog) niet het geval is, kan het MVO-beleid door verschillende belanghebbenden worden beïnvloed en besluiten die in strijd zijn met MVO kunnen door middel van diverse juridische acties worden aangetast. Daarvoor is het niet noodzakelijk dat MVO in de code-Tabaksblat wordt verankerd, zoals nu het geval is. Het is vooral zaak dat het thans beschikbare juridische instrumentarium door belanghebbenden op adequate wijze wordt aangewend om invloed uit te oefenen op het MVO-beleid van ondernemingen. En daarmee wordt tevens bereikt dat MVO zich niet beperkt tot beursgenoteerde vennootschappen.

www.ez.nl

B.T.M. Steins Bisschop, Maatschappelijk verantwoord ondernemen en het
ondernemingsrecht
, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2004.

Auteur(s)
Lieke van Aarssen
Dit artikel is gepubliceerd in
gu2008-10

Nationaal Register

Jan van Nassaustraat 93
2596 BR Den Haag
T 070-324 30 91
info@nationaalregister.nl

Volg ons op social media

Governance Update nieuwsbrief