‘Regel monistisch bestuursmodel ook voor stichtingen en verenigingen’

Wet- en regelgeving

Geen one-tier board en geen mogelijkheid tot taakverdeling voor toezichthouders bij stichtingen en verenigingen: Myrthe Stolp en Marleen van Uchelen-Schipper van Houthoff Buruma plaatsen een aantal kritische kanttekeningen bij het voorontwerp voor het wetsvoorstel tot verbetering van de kwaliteit van bestuur en toezicht bij non-profit en semipublieke organisaties.

De afgelopen jaren hebben zich binnen zorg- en onderwijsinstellingen en bij woningcorporaties verschillende incidenten voorgedaan. Naar aanleiding hiervan en gelet op de aanbevelingen van de Commissie Halsema, heeft het kabinet onlangs een voorontwerp opgesteld voor een wetsvoorstel dat ertoe strekt de wettelijke regeling van bestuur en toezicht bij non-profit- en semipublieke organisaties, zoals stichtingen en verenigingen, aan te passen. Het ontwerp is op 6 februari 2014 voor drie maanden via het internet ter consultatie voorgelegd.

Aanscherping van de normen

De doelstelling van het voorontwerp is om de kwaliteit van bestuur en toezicht bij stichtingen en verenigingen te verbeteren. Daartoe wordt voorzien in een wettelijke grondslag tot het instellen van een toezichthoudend orgaan bij deze rechtspersonen. Verder beoogt het ontwerp de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van bestuurders en interne toezichthouders van non-profit- en semipublieke organisaties aan te scherpen door de normen die reeds gelden voor bestuurders en commissarissen van nv's en bv's ook te laten gelden voor bestuurders en toezichthouders van stichtingen en verenigingen.

Bij het voorontwerp is een aantal kritische kanttekeningen te plaatsen. Wij noemen er twee:

Invoering van het monistische bestuursmodel

Ten eerste valt op dat het voorontwerp het monistische bestuursmodel, waarbij sprake is van een one-tier board met uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders, niet introduceert voor stichtingen en verenigingen. Dit terwijl het monistische bestuursmodel sinds 1 januari 2013 wel voor nv's en bv's een wettelijke verankering kent en in september 2013 de consultatie is afgesloten van het wetsontwerp, waarbij het monistische bestuursmodel wordt voorgesteld voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij.

Daarbij komt nog dat in de praktijk bij verschillende soorten stichtingen en verenigingen volop gebruik werd en wordt gemaakt van monistische bestuursmodellen, dat wil zeggen: bestuursmodellen met algemene en dagelijkse bestuurders of met niet-uitvoerende en uitvoerende bestuurders, die zitting hebben in één bestuur. Wetgeving en codes voor stichtingen die werkzaam zijn in een bepaalde branche bieden bovendien regelmatig de keuze tussen een model met een afzonderlijke raad van toezicht (dualistisch bestuursmodel) en een monistisch bestuursmodel.

Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom het monistische bestuursmodel niet ook voor stichtingen en verenigingen wettelijk geregeld zou moeten worden. Een wettelijke regeling, vergelijkbaar met die voor nv's en bv's, voorziet in een praktische behoefte en biedt duidelijkheid. Wel zou zij flexibel moeten zijn, in die zin dat taakverdelingen binnen het gebruikte bestuursmodel in verschillende variaties mogelijk (moeten) blijven. Een wettelijke regeling waarin wordt gesproken over uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders zou dus niet (moeten) betekenen dat een model met algemene en dagelijkse bestuurders of een model met algemene en divisiebestuurders, dan wel zakelijke en artistiek bestuurders, niet langer mogelijk zou zijn.

Taakverdeling leden van het toezichthoudend orgaan

Een tweede kritiekpunt betreft het volgende. Op grond van de wet is het mogelijk dat tussen bestuurders een taakverdeling wordt opgesteld (bij of krachtens de wet of de statuten). Veel stichtingsbesturen kennen bijvoorbeeld een voorzitter, secretaris en een penningmeester. In het voorontwerp is er bewust voor gekozen een bepaling achterwege te laten op grond waarvan het voor leden van het toezichthoudend orgaan mogelijk is om taakverdelingen op te stellen; hieraan zou geen behoefte bestaan.

Daarmee miskent het ontwerp echter dat ook binnen een toezichthoudend orgaan, zeker bij verenigingen en stichtingen in semipublieke sectoren, een taak- of portefeuilleverdeling (bij of krachtens de statuten gemaakt en bijvoorbeeld in een reglement neergelegd) gerechtvaardigd en zelfs aangewezen kan zijn, juist gelet op het belang van effectief toezicht.

Gevolgen voor aansprakelijkheid

Bovendien gaat het voorontwerp eraan voorbij dat een (expliciete) taakverdeling tussen leden van een toezichthoudend orgaan doorwerkt in de (beoordeling van de) persoonlijke aansprakelijkheid van deze leden jegens de rechtspersoon. Zo is het mogelijk dat een lid van het toezichthoudend orgaan niet aansprakelijk is, nu de aangelegenheid waarom het draait op grond van de gemaakte taakverdeling niet onder zijn taak valt, hem geen ernstig verwijt van onbehoorlijk toezicht valt te maken en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk toezicht af te wenden.

Nu een taakverdeling zowel voor de taakvervulling als voor de aansprakelijkheid van belang is, kan een uitdrukkelijke basis voor een (in de wet of bij of krachtens statuten) te maken taakverdeling tussen leden van het toezichthoudend orgaan dus evenmin achterwege blijven.

Via een reactie op de internetconsultatie hebben wij (onder meer) bovenstaande kanttekeningen onder de aandacht van de minister gebracht.

Klik hier voor meer informatie. 

Auteur(s)
Myrthe Stolp
Marleen van Uchelen-Schipper
Dit artikel is gepubliceerd in
GU2014mei

Nationaal Register

Jan van Nassaustraat 93
2596 BR Den Haag
T 070-324 30 91
info@nationaalregister.nl

Volg ons op social media

Governance Update nieuwsbrief