Private equity, familiebedrijven en de fiscus

Family Governance & Wealth Management

Veel familiebedrijven en vermogens gaan de komende jaren over op de volgende generatie, doordat succesvolle babyboomers op een leeftijd zijn gekomen waarop ze gaan nadenken over stoppen. Jan Nieuwenhuizen, director tax bij PwC, is dagelijks bezig met bedrijfsopvolging en de fiscus. Welke trends ziet hij, wat zijn de voor- en nadelen van een private equity-investering en hoe zit het met de bedrijfsopvolgingsregeling?

‘De bedrijfsopvolgingsregeling is een conglomeraat van een aantal - fiscaal interessante - wettelijke bepalingen. De kern van die bepalingen is dat, onder voorwaarden, een onderneming kan vererven of een schenking kan worden gedaan aan de volgende generatie met een beperkte belastingheffing.

Bij een bedrijfsoverdracht moet men afrekenen over de waarde van de onderneming voor de inkomstenbelasting en voor het successierecht. Door de bedrijfsopvolgingsregeling ontstaat de kans op een forse verlaging van de belastingheffing. Het verschil is groot. Als je niet in aanmerking komt, betaal je ongeveer veertig procent van je vermogen aan belasting. Anders maar 3,4 procent. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de overdracht van aandelen waarin een onderneming wordt uitgeoefend en aandelen van vennootschappen waarin alleen wordt belegd. In het eerste geval kan de faciliteit worden verkregen. Maar als er alleen belegging in zit, moet er per definitie veertig procent worden afgedragen.

Ondernemen of beleggen?

De vraag is nu waar beleggen overgaat in ondernemen, en andersom. Want wat doe je in de vennootschap: ondernemen of niet? Als je je geld ergens in stopt waar je bij betrokken wilt zijn, adviseert enzovoort, is dat dan ondernemen? In het geval van private equity zit je in een grijs gebied. Er bestaat wel een vluchtmethode waarmee de fiscus iemand per definitie aanmerkt als ondernemer. Als je direct of indirect ten minste vijf procent belang hebt in een onderneming, wordt dat deel als ondernemen beschouwd. Dus ook als je dat belang in Philips zou hebben. In de praktijk is het vaak zo dat de totale investering van een private equity partij bijvoorbeeld twintig procent is, terwijl tien tot twintig families het geld faciliteren. Per saldo beschikt één familie dan maar over één tot twee procent.

Moeten dergelijke families toch in aanmerking komen voor het lagere belastingpercentage? Want ze zijn, in meer of mindere mate, actief betrokken bij het beleid van de onderneming en ze verbinden zich er gedurende een aantal jaren aan. Die rol is in sommige gevallen heel intensief. We zijn met de Belastingdienst in gesprek om te kijken of we het grijze gebied kleiner kunnen maken en kunnen afbakenen. Zij zouden, op basis van de bestaande wetgeving, moeten aangeven hoe groot de betrokkenheid moet zijn om het te benoemen als ondernemen. De tweede vraag is of de huidige regeling maatschappelijk wel zo wenselijk is. Anders gezegd, is die wel ruim genoeg? Dat laatste is meer een politieke en beleidsmatige discussie. Want vindt Den Haag dat dit soort investeringen grote betekenis hebben voor de BV Nederland? En zo ja, is men bereid om de huidige regelingen uit te breiden voor dit soort investeringen? Daarover willen we met het ministerie van Financiën in gesprek. Private equity partijen investeren op een maatschappelijk wenselijke manier, want ze investeren in de vorm van aandelenkapitaal en niet in de vorm van leningen. Ze zijn solide investeerders, want ze stellen risicodragend kapitaal beschikbaar en zijn langdurig betrokken bij een onderneming. Dat schept zekerheid. Ook niet onbelangrijk: het zijn vaak vermogende families met een ondernemersachtergrond. Dat is precies het soort investeerder dat Nederland nodig heeft.’

actueel.nl.pwc.com

Auteur(s)
Jan Nieuwenhuizen
Dit artikel is gepubliceerd in
gu2012-01

Nationaal Register

Jan van Nassaustraat 93
2596 BR Den Haag
T 070-324 30 91
info@nationaalregister.nl

Volg ons op social media

Governance Update nieuwsbrief