Opgebrand

Governance Radar

De raad van commissarissen moet het massaontslag bij Philip Morris nog goedkeuren. Maar heeft de raad überhaupt wel wat te zeggen? En wat gebeurt er als de raad nee zegt?

Zo’n twee decennia geleden na het massaontslag bij DAF in 1993, wordt het zuiden van Nederland opnieuw geconfronteerd met een aderlating op het gebied van werkgelegenheid: de sluiting van de sigarettenfabriek van Philip Morris in Bergen op Zoom per 1 oktober gaat gepaard met het verlies van 1230 banen.

Vervelend governancehobbeltje

Bij de bekendmaking van het nieuws werd aangegeven dat de raad van commissarissen van Philip Morris Holland BV nog toestemming moet geven voor het besluit. Is die niet vooraf geconsulteerd dan? Op die manier lijkt de besluitvorming van de commissarissen slechts een formaliteit, een vervelend lokaal governancehobbeltje dat het Amerikaanse moederbedrijf nu eenmaal over moet om de onvermijdelijke sluiting van de fabriek te kunnen effectueren.

Rookgordijn?

Daarmee dringt meteen de volgende vraag zich op: wat als de raad van commissarissen nee zegt? Gaat de sluiting dan niet door, wordt deze uitgesteld, of wordt er een beter sociaal plan afgedwongen? Heeft de raad van de Nederlandse dochter van het Amerikaanse concern überhaupt wel wat te zeggen? Of zitten ze er voor spek en bonen bij, terwijl naar buiten toe de schijn van serieuze checks en balances gewekt wordt? De raad van commissarissen zou dan slechts fungeren als rookgordijn om het ontbreken van goed bestuur te verhullen.     

Het is een echo van de vraag die Jet Grimbergen, bestuurder FNV Bondgenoten, opwierp in haar reactie bij BNR op het massaontslag:

‘Het is een keiharde, kille sanering. Zonder oog voor de grote sociale gevolgen. En dit terwijl de fabriek winstgevend is. Er is ons niets van gebleken dat de directie ook maar enigszins heeft geknokt om de werkgelegenheid in Nederland te behouden. Wij vragen ons af of zij überhaupt iets te zeggen hebben gehad.’

Stakeholderbelang behartigen

Als dat al geldt voor de directie, hoe zit dat dan met de commissarissen die die directie moeten controleren? En hoe kunnen die dan hun wettelijke taak uitoefenen om de belangen van alle stakeholders te behartigen – dus niet alleen die van de aandeelhouders in de VS, maar ook die van Nederlandse werknemers?

Voordrachtscommissaris

Philip Morris moet ook nog overleggen met de ondernemingsraad. Deze heeft een vooruitgeschoven post in de raad van commissarissen: Irene Asscher-Vonk, destijds voorgedragen door de or. Asscher-Vonk bevindt zich daarmee in een lastig parket. Hoe moet ze de werknemers uitleggen dat de fabriek nog steeds winst maakt, maar toch gaat sluiten?

Het concern zelf wijst op een dalend sigarettenverkoopvolume als gevolg van maatschappelijke en economische factoren en op ‘de negatieve invloed van al te rigoureus fiscaal en regelgevend beleid, dat immers een vruchtbare bodem creëert voor criminele organisaties die zich met illegale sigarettenhandel bezighouden’.

Fiscale holdingstructuur blijft intact

Philip Morris voert het (Europese) fiscale beleid dus mede op als reden voor het vertrek , maar vermeldt daarbij niet dat het aan de andere kant ook flink profiteert van het (Nederlandse) belastingregime via ons netwerk van internationale belastingverdragen en de deelnemingsvrijstelling. Philip Morris International heeft dan ook 55 procent van alle activa ondergebracht in Nederlandse dochters en die holdingstructuur blijft intact, ook nu de sigarettenproductie uit Nederland verdwijnt, volgens Het Financieele Dagblad.

Machtsmiddel

Den Haag heeft al laten weten niets te kunnen ondernemen tegen de plannen van Philip Morris. Maar zou de Nederlandse overheid de gunstige fiscale voorwaarden niet moeten inzetten als machtsmiddel om buitenlandse investeerders te dwingen tot goed werkgeverschap? Als Philips Morris de productie uit Nederland weghaalt, maar wel blijft profiteren van het belastingklimaat, geniet de sigarettenfabrikant immers alleen de lusten, zonder het dragen van de ‘lasten’. Die verstoorde balans zou op zijn minst een stevige onderhandelingsbasis moeten vormen tijdens het overleg over het sociaal plan in de komende maanden. Irene Asscher-Vonk is de moeder van Lodewijk Asscher, vicepremier en minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Misschien kan ze eens een balletje opgooien tijdens een familie-etentje?  

 

Auteur(s)
Redactie
Dit artikel is gepubliceerd in
GU2014apr

Nationaal Register

Jan van Nassaustraat 93
2596 BR Den Haag
T 070-324 30 91
info@nationaalregister.nl

Volg ons op social media

Governance Update nieuwsbrief