Ministerieel pleidooi voor diversiteit

Peter Paul de Vries stelde recentelijk in De Telegraaf het niveau van commissarissen in Nederland erbarmelijk te vinden. ‘Hij mag geen gelijk krijgen!’, luidde het antwoord van minster van Economische Zaken Maria van der Hoeven tijdens het drukbezochte lustrumcongres van het Nationaal Register dat in het teken stond van Toezicht op een hoger plan. En passant nam ze de eerste lustrumbundel met diezelfde titel in ontvangst en hield ze een pleidooi voor meer diversiteit in de Nederlandse raden.

Een goede raad van commissarissen draagt bij aan een gezonde ontwikkeling van een bedrijf, poneerde Van der Hoeven. Toch zette ook de minister een aantal vraagtekens bij de kwaliteit van het toezicht in Nederland. Zonder Peter Paul de Vries gelijk te geven, zei ze wel: ‘Het kan beter’. Haar ‘de tijd van heren die port drinken, sigaren roken en in de achterkamer vergaderen ligt achter ons’, kwam er stevig uit, maar het aanvullende woordje ‘toch?’, zette alles in perspectief. Ook Van der Hoeven signaleerde dat de taak van de commissaris zwaarder is geworden en het internationale speelveld is veranderd. ‘Voor gouden handdrukken is de commissaris verantwoordelijk, net zoals voor de hoofdlijnen van het beleid. Commissaris zijn doe je er tegenwoordig niet “meer even bij”.’

Commissarissen moeten zich volgens Van der Hoeven anno 2007 afvragen wat hun toegevoegde waarde is. Ook is ze van mening dat er mensen in de raad nodig zijn die een afwijkend geluid laten horen. ‘Intern geknuffel helpt niet. Soms moet je ruziemaken’, hield ze haar gehoor voor. Een van de middelen om toezicht op een hoger plan te brengen is volgens de minister serieuze zelfevaluatie. Een andere hartenkreet van Van der Hoeven luidde: meer diversiteit in de raden. ‘Het old boys netwerk bestaat nog steeds. Een new boys en girls-netwerk kan een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het toezicht.’ Ze vertelde dat ze op het ministerie geregeld lijstjes met namen krijgt voor bepaalde commissies. ‘Daar staan altijd weer dezelfde namen op. Ik stuur ze gewoon terug. We moeten zorgen voor nieuwe aanwas. Het Nationaal Register heeft daaraan de laatste jaren nadrukkelijk een positieve bijdrage geleverd. We moeten talent benutten. Het zal toch niet zo zijn dat Peter Paul de Vries gelijk gaat krijgen!’
Dagvoorzitter en schrijfster van de inleiding van het lustrumboek Trudy Blokdijk vatte tijdens de overhandiging van het eerste exemplaar van het boek aan de minister de inhoud ervan kort samen. ‘Wat mij in de interviews is opgevallen, is dat toezicht steeds meer opschuift van ex post naar ex ante. Dus van achteraf, naar vooraf.’

Toezien en afzien

Van der Hoeven werd in de Erasmusuniversiteit in Rotterdam als spreker voorafgegaan door Paul Schnabel, directeur van het Sociaal– en Cultureel Planbureau. Hij trapte af met de constatering dat de rol van de commissaris in de vennootschap nogal vaag is. ‘Wie vertegenwoordigt de commissaris eigenlijk? Dat belang is vaak niet helder gedefinieerd.’ Hij constateerde vervolgens dat toezien, ‘afzien’ is van (deel)belangenbehartiging en bestuurstaken. Maar wat wordt dan wel van de commissarissen verlangd? Volgens Schnabel vooral dat zij als ‘weak ties’ de buitenwereld naar binnen brengen en andersom. ‘De commissaris vervult een brugfunctie.’ Daarmee is hij of zij een belangrijke schakel in de ontwikkeling van kansen voor een bedrijf. Of, in woorden van de bevlogen spreker Schnabel: ‘Hoeveel handdrukken bent ú verwijderd van de koningin of de Paus?’

Ervaring en getrainde intuïtie zijn onmisbare elementen bij een goede uitoefening van het commissariaat. Daarom is het ook niet gek, stelde Schnabel, dat commissarissen ouder zijn en dus meer levenservaring hebben. ‘Maar een raad mag niet eenzijdig samengesteld zijn. Het moet een gemêleerd beeld opleveren. Anders krijg je een empatische vorm van toezicht, waarbij de commissaris als een vader of broer tegen de bestuurder zegt: “Ik weet toch wat het is, jongen, ik heb het zelf meegemaakt.” Dan ontstaat het gevaar dat alles wordt toegedekt met de begrijpende mantel der liefde.’

Schnabel constateerde verder nog dat we in de wereld ‘minder dan in het verleden durven te vertrouwen op vertrouwen’. Hij maakte daarbij de vergelijking met de Antwerpse diamantairs. Daar ligt ook niets vast, maar als iemand zich in dat wereldje niet aan de afspraak houdt, wordt dat direct afgestraft met sociale uitsluiting. ‘Ik bespeur dat sociale cohesie in de wereld zeldzaam aan het worden is. Er is minder vertrouwen dan vroeger en meer sprake van mondialisering en juridisering.’ Een gegeven waar de commissaris vandaag de dag zijn eigen weg in moet zien te vinden. En dus is het soms letterlijk afzien om de feiten boven tafel te krijgen. Want de commissaris mag dan wel de directie als primaire informatiebron hebben, bij twijfel moet hij ook zelf op onderzoek uit. Schnabel, zelf commissaris bij Shell, doet dat onder meer door aan te schuiven bij de OR, de bedrijfsbladen te lezen, divisiedirecteuren in de commissarissenvergadering te laten presenteren en met elkaar te confronteren, een scherpe aandacht voor calamiteiten, de resultaten voortdurend te benchmarken en informele bijeenkomsten, zoals jubilea, te bezoeken. ‘Om de sfeer te proeven en te weten wat er in de organisatie speelt.’

Poldermodel nog steeds goede papieren

Huub Willems, voorzitter van de Ondernemingskamer, ging tijdens zijn inleiding niet rechtstreeks in op de ‘aanval’ die de Sociaal-Economische Raad zeer onlangs op zijn instituut deed. De SER wil de rol van de Ondernemingskamer inperken om op die manier de activistische aandeelhouder de pas af te snijden. In plaats daarvan hield Willems een gloedvol betoog waarin hij stelde dat het Nederlandse stakeholdersmodel nog steeds in evenwicht is. De versterking van de positie van de aandeelhouders door de code-Tabaksblat en Angelsaksische invloeden was noodzakelijk ‘achterstallig onderhoud’, aldus Willems. De rechten van de aandeelhouder waren immers al jarenlang verwaarloosd. Bovendien moeten de toegekende rechten (het goedkeuringsrecht voor majeure vennootschapsbesluiten, het agenderingsrecht en het recht om de hele raad van commissarissen naar huis te sturen) vooral gezien worden als een controlemechanisme. Als er niet zo lang gedraald was met de Overnamerichtlijn - waarbij een verplicht bod op alle aandelen moet worden uitgebracht door de partij(en) die dertig procent van het stemrecht bezitten - dan had er in Nederland bovendien niet eens een debat over aandeelhoudersactivisme gevoerd behoeven te worden, betoogde Willems. Daarnaast kunnen ondernemingen zich via hun statuten beschermen tegen een vijandig openbaar bod.

Hij wees er verder op dat ook de actieve aandeelhouder niet ontkomt aan toetsing op redelijkheid en billijkheid, de ‘paramount principles’ van het Nederlandse rechtssysteem. Willems verwees in dat kader naar de vijandige poging van Uni-Invest om Breevast in te lijven (eind jaren negentig), waarbij belager Uni-Invest van de Ondernemingskamer het deksel op de neus kreeg. Ook bij Stork zette de OK de aandeelhouder buitenspel met de benoeming van drie supercommissarissen. Diezelfde beslissing nam de OK in 2005 bij Versatel, omdat de zittende commissarissen niet onafhankelijk waren. In die zaak werden de aandeelhouders dus wel weer in het gelijk gesteld. Willems wees de toezichthouders in zijn gehoor dan ook nog maar eens waarschuwend op Principe III.6 van de code-Tabaksblat over het vermijden van (de schijn van) elke vorm van belangenverstrengeling. ‘Maar dat principe kent u natuurlijk uit uw hoofd.’ Tot slot wordt het stakeholdersmodel volgens Willems in evenwicht gehouden door het enquêterecht voor de vakbonden en het adviesrecht van de ondernemingsraad. Bij Corus hielden de OR en de Nederlandse raad van commissarissen samen de verkoop van de aluminiumdivisie door de Britse moeder tegen.

‘Het Nederlandse poldermodel heeft nog steeds goede papieren’, luidde de conclusie van Willems dan ook. ‘Misschien wordt het spel harder gespeeld, maar dat is nog geen reden om de spelregels te veranderen.’ Op dat complexe speelveld (Willems sprak aan het begin van zijn inleiding zelfs over een mijnenveld) neemt de commissaris verreweg de lastigste positie in. ‘De commissaris moet het doen zonder duidelijk omschreven bevoegdheden, dus het komt vooral aan op zijn natuurlijk gezag.’ Vooral een adequate afweging van alle belangen wordt steeds ingewikkelder. Dat maakt de positie van commissaris er niet eenvoudiger op, waarbij bovendien het risico van persoonlijke aansprakelijkheid voortdurend op de loer ligt. En dat geldt niet alleen voor toezichthouders van beursvennootschappen, zo bleek uit de woorden van Willems. ‘De code-Tabaksblat moet in Nederland als rechtgeldig worden aangemerkt, óók voor niet-beursgenoteerde ondernemingen. Dat dat laatste niet het geval zou zijn, berust op een gevaarlijk misverstand.’

Dat klonk allemaal nogal onheilspellend. Misschien dat Willems zijn betoog daarom besloot met een troostende opmerking. Het geschetste krachtenveld maakt toezicht houden volgens hem namelijk ook een stuk interessanter dan vroeger. ‘Sigarenroken mag dan een aantrekkelijk tijdverdrijf zijn, maar het uitoefenen van een inhoudelijk uitdagende functie is misschien nog wel veel bekoorlijker.’ Om er ter verdere geruststelling op te laten volgen: ‘Iedere commissaris die zich te goeder trouw inspant, heeft van het recht niets te vrezen.’

Beloning versoberen

Het symposium werd afgesloten met een debat over de effectiviteit en kwaliteit van het toezicht, onder leiding van dagvoorzitter Harry Starren. Het panel bestond uit Jan-Willem Baud (NPM Capital), Trudy Blokdijk, Dolf van den Brink (voormalig lid raad van bestuur ABN Amro en meervoudig commissaris), Agnes Jongerius (voorzitter FNV), Bob de Kuyper (Koninklijke De Kuyper) Jaap van Manen (partner PricewaterhouseCoopers), Pauline Meurs (lid WRR).

Bob de Kuyper keerde zich tijdens het debat als voorzitter van FB-Ned tegen een integrale toepassing van de code–Tabaksblat op familiebedrijven. Vooral ook omdat de aandeelhouders in familiebedrijven bekend zijn en er over het algemeen geen wantrouwen en onbekendheid is ten aanzien van het bedrijf en de bedrijfsvoering. Daarmee stelde De Kuyper zich lijnrecht tegenover het eerder geformuleerde standpunt van Huub Willems over een brede toepassing van de code.
Agnes Jongerius dreigde met een voorstel voor de quotering van topbenoemingen van vrouwen in raden van bestuur, raden van commissarissen en raden van toezicht. Al bracht ze het impliciet en was het Harry Starren die er een 'bedreiging' van maakte (richting de mannen in de zaal).
Dolf van den Brink pleitte voor een versobering van de beloningen van topmanagers. Het vaak aangevoerde argument van de 'internationale arbeidsmarkt' dat de hoge beloningen moet rechtvaardigen, gaat volgens hem niet op. Van den Brink vindt ook dat raden van commissarissen beloningspakketten en -afspraken goed moeten kunnen uitleggen. Die uitleg kan volgens hem nu vaak niet goed (genoeg) worden gegeven, omdat de commissarissen niets meer van de beloningsregelingen begrijpen. Het statement werd met applaus ontvangen.

Lustrumbundel bestellen?

Ga naar www.nationaalregister.com en vul het bestelformulier in bij de knop "publicaties".

Auteur(s)
Redactie
Dit artikel is gepubliceerd in
gu2007-09

Nationaal Register

Jan van Nassaustraat 93
2596 BR Den Haag
T 070-324 30 91
info@nationaalregister.nl

Volg ons op social media

Governance Update nieuwsbrief