Hoogleraar Rienk Goodijk mist nuance in uitspraak OK

Interview
Meavita, mea culpa

Thuiszorgorganisatie Meavita ging ten onder. De bestuurlijk betrokkenen werden keihard door de Ondernemingskamer berispt. Ook de commissarissen faalden in hun toezicht op de zorginstelling. ‘Maar de OK spaarde de politiek te veel’, reageert hoogleraar governance in de semipublieke sector, Rienk Goodijk op de uitspraak.

Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Ondernemingskamer over Meavita?

‘Inhoudelijk was er weinig nieuws. Dat het toezicht haperde en het bestuur had gefaald, wisten we al. Dat je toezicht er vandaag de dag niet even bij kunt doen, wisten we zeven jaar geleden ook al wel. Wat opvalt is de scherpte van de veroordeling. Waarbij ik de nuance soms mis. De commissie-Halsema schreef in haar rapport al dat er weeffouten in het semipublieke domein zitten. Die weeffouten zijn in de jaren negentig door de politiek ontstaan, maar de politiek wordt in de uitspraak van de Ondernemingskamer gespaard. Ik zeg niet dat dat een alibi mag zijn voor het falende bestuur en het falende toezicht, maar de politiek mag zich het Meavita-verhaal ook wel aantrekken. Semipubliek is een complex domein geworden en dus ook complex in toezicht. De OK had scherper mogen zijn op de politieke keuzes van dat moment. We hebben in de jaren negentig een valse start gemaakt in het semipublieke domein.’

Wat verwijt u de bestuurders desondanks?

‘In eerste instantie is het bestuur hoofdverantwoordelijk voor de keuzes. De commissarissen hebben een toezichthoudende verantwoordelijkheid. De focus in de berichtgeving ligt nu wel heel erg op Loek Hermans (voormalig president-commissaris van Meavita, red.) omdat hij een bekende publieke figuur is. Waarbij ik wel denk dat het toezicht op een te grote afstand heeft gestaan. Zowel het fusieplan als de invoering van de beeldtelefoon zijn volgens het onderzoek niet goed doordacht geweest. Overall denk ik dat we inmiddels wel hebben geleerd dat toezicht houden een complex vak is en dat ook een RvT veel meer vooraf, aan de voorkant, moet meedenken over risico’s dan alleen achteraf controleren. Commissarissen worden geacht veel intensiever bij het bestuursbeleid betrokken te zijn. De sfeer in de boardroom zal ook echt anders worden. Met wellicht meer jongeren, een generatie die minder hangt aan status, het lastige gesprek uit het Halsema-rapport eerder durft te voeren en in interactie met anderen een bijdrage wil leveren aan de maatschappij.'

Zal dit soort affaires – nog even los van de beloningsdiscussie - mensen kopschuw maken om toezichthouder te worden?

‘Ik geloof dat niet. Ik zie genoeg mensen, vooral bij de meer open werving van dit moment, die het graag oppakken. Al zullen er ook mensen zijn met nogal wat bijbanen die zich nu wel gaan bedenken.’

U bent ook al jaren voorvechter voor de OR-voordrachtscommissaris. Had die het debacle bij Meavita kunnen voorkomen?

‘Ik ben daar voorzichtig mee, omdat er geen garantie is dat er met een OR-commissaris niks mis kan gaan. Daar hebben we ook wel voorbeelden van gezien. En uiteindelijk ben je als complete raad verantwoordelijk. Ik vind wel dat je van een voordrachtscommissaris mag verwachten dat die de Raad gevoeliger maakt voor de signalen van de werkvloer. Ik heb begrepen dat er bij Meavita veel zorgen bij de werknemers bestonden, maar dat er feitelijk weinig mee gedaan is.'

Andere casus. Hoe zouden commissarissen in uw optiek de sjoemelsoftware bij Volkswagen hebben kunnen detecteren?

‘Een Aufsichtsrat zal nooit in de motor van een auto kunnen kijken. Uiteindelijk gaat het erom dat de besturing van de onderneming op orde is. Dat je de interne besturing en de kwaliteit van het primaire proces zo inricht dat een raad van bestuur wel komt te weten wat er in die motor gebeurt. Tegelijkertijd mag je tegenwoordig van toezichthouders verwachten dat die ook meer oog hebben voor wat er precies binnen de onderneming gebeurt. Terwijl de RvT in de zorg en ook in het onderwijs al langer geacht wordt toe te zien op de kwaliteit van het primair proces, zou de affaire bij Volkswagen ook wel eens kunnen leiden tot de vraag hoe dicht de RvC in het private domein op het primair proces binnen de onderneming moet zitten.’

Toeval bestaat niet…U houdt volgende week vanwege uw benoeming tot bijzonder hoogleraar governance in de semipublieke sector aan de VU in Amsterdam uw oratie en zegt dan ook ongetwijfeld iets over de Meavita-casus?

‘Ik ga daar nog niet veel over zeggen, maar wil wel dit kwijt. Bij Tias in Tilburg heb ik eerder al onderzocht wat er met het toezicht in het verleden is misgegaan. Nu wil ik vooruitkijken. De titel geeft wel wat prijs: Van afvinkcultuur naar aanspreekbaarheid. Het intern toezicht zal zich meer en meer zichtbaar en aanspreekbaar dienen op te stellen. We komen gaandeweg tot het inzicht dat feitelijk gedrag veel belangrijker is dan het stellen van nóg meer regels. Een teveel aan regels leidt alleen maar tot een afvinkcultuur en gaat ten koste van de eigen verantwoordelijkheid. Wat die grotere zichtbaarheid en aanspreekbaarheid inhouden, zal ik tijdens mijn oratie uitleggen.’

Auteur(s)
Ronald Buitenhuis
Dit artikel is gepubliceerd in
GU2015nov

Nationaal Register

Jan van Nassaustraat 93
2596 BR Den Haag
T 070-324 30 91
info@nationaalregister.nl

Volg ons op social media

Governance Update nieuwsbrief