‘Het is geen lintje waarmee je te koop loopt’

Accreditatie zorgbestuurders: na de spelregels nu de spelers

De NVZD heeft recentelijk een accreditatiesysteem voor zorgbestuurders opgezet. De eerste geaccrediteerden zijn inmiddels in een register opgenomen. ‘Er moest iets gebeuren’, zegt directeur Jos de Beer van de NVZD. Hildegard Pelzer van Governance Support snapt dat, maar heeft bedenkingen. ‘We blijven maar stapelen. Pas op voor schijnzekerheid.’ Een tweegesprek.

De Nederlandse Vereniging van bestuurders in de zorg (NVZD) heeft achthonderd leden en vertegenwoordigt daarmee zo’n twee derde van de huidige werkzame zorgbestuurders. Met goedkeuring van de vereniging is na jaren denkwerk in 2013 een accreditatiesysteem opgezet. Missie: de kwaliteit van zorgbestuurders zichtbaar maken. Wie geaccrediteerd wil worden, moet daarvoor een persoonlijk ontwikkelingsplan opstellen - mede gevoed door zelf te organiseren 360 graden feedback - en moet daarover een gesprek aangaan met twee auditoren. Wie ‘slaagt’ wordt formeel geaccrediteerd. Dat bepaalt de accreditatiecommissie, die bestaat uit de bestuurlijke zwaargewichten Thom de Graaf, Marjanne Sint en Trude Maas. Een accreditatie geldt voor drie jaar. Inmiddels zijn de eerste vijftien geaccrediteerden in het voorlopig nog gesloten register opgenomen. NVZD-directeur Jos de Beer: ‘Op termijn wordt dat register openbaar, maar zolang het nog niet goed gevuld is, houden we het gesloten. Ik denk dat honderd geaccrediteerden een mooi getal is voor een openbaar register.’ Er is volgens De Beer behoefte aan legitimatie van zorgbestuur. Een bestuurder moet aan hoge verwachtingen voldoen. Zowel de eigen organisatie als de buitenwereld volgt hem of haar kritisch. ‘Dus moeten we de bestuurder optimaal toerusten voor zijn of haar taak. Dat doen we door geregeld te reflecteren op het functioneren.’ De NVZD heeft zelf het initiatief genomen, om eventuele druk van de wetgever voor te zijn. Centraal in de accreditatie staan vijf expertisegebieden van zorgbestuurders: technisch-inhoudelijk, het zijn van procesarchitect, maatschappelijke inbedding, communicatie en verantwoording afleggen en tot slot persoonlijke professionaliteit.

Effectiviteit

Hildegard Pelzer van Governance Support heeft op een aantal punten moeite met het accreditatiesysteem. Zij twijfelt aan de wezenlijke bijdrage van dit systeem aan goed bestuur en ziet zelfs gevaren in de wijze waarop het is opgezet. ‘Het is geen sinecure om een oordeel te vellen over de kwaliteit van een bestuurder. Wat is goed besturen? Wat maakt iemand een goed bestuurder? En wat betekent dat voor de eisen die je aan de persoon van de bestuurder stelt? Een eenduidig antwoord op die vraag is niet te geven. Het is gevaarlijk om te pretenderen dat de accreditatie goede bestuurders oplevert.’ De Beer benadrukt dat het de NVZD ook niet gaat om een hard kwaliteitsoordeel. ‘De auditoren blijven ver weg van een functioneringsgesprek. Waar we op inzoomen is de vraag of mensen zich blijven ontwikkelen in hun vak van bestuurder. Het is echter wel onze impliciete vooronderstelling dat dankzij reflectie en onderhouden van je vak als bestuurder, geaccrediteerde bestuurders door de bank genomen beter zijn dan niet-geaccrediteerde. Belangrijk is dat bestuurders de eigen feedback organiseren; daarom zijn intervisie en feedback van de omgeving verplichte onderdelen van de toets. Het is geen beoordelingssysteem. We willen de kwaliteit van de bestuurder zichtbaar maken door toe te werken naar normen voor goed bestuur, die gedragen worden door de bestuurders en hun stakeholders.’ De Beer verwijst daarbij naar het Amerikaanse “fellow”-systeem. ‘Mensen in de VS zijn bereid om veel bagage te verzamelen om zo de felbegeerde titel van “fellow” te krijgen. Zie de NVZD-accreditatie als een kwaliteitsimpuls door zelf te blijven leren, bagage te blijven verzamelen.’ Pelzer ziet en waardeert de potentie van het systeem om zich blijvend te ontwikkelen, maar samenleving en politiek zullen volgens haar de nuance niet aanbrengen. Bovendien beoogt het systeem niet alleen het professionaliseren van bestuurders, maar ook het legitimeren. Hier schuilt volgens haar een belangrijk gevaar. Als het toch fout gaat met een geaccrediteerde bestuurder…

Raad van Toezicht

Het is formeel de verantwoordelijkheid van de Raad van Toezicht om de passende bestuurder te benoemen en regelmatig te evalueren en misschien bij te sturen, ook met het oog op de verdere ontwikkeling van de bestuurder. In eerste instantie vanuit het belang van de organisatie, maar ook in zijn of haar eigen belang. Hier is volgens Pelzer nog veel te winnen. ‘Als werkgever kunnen en moeten veel Raden van Toezicht nog verder professionaliseren. Het systeem van de NVZD kan de werkgeverstaak van de Raad van Toezicht ondersteunen. Maar raden van Toezicht moeten niet gaan leunen op het oordeel van de accreditatiecommissie. Zij moeten hun eigen oordeel vormen en daarvoor verantwoordelijkheid blijven nemen.’ Volgens De Beer wil de NVZD ook helemaal niet op de stoel van de toezichthouder gaan zitten en kan een RvT zowel niet-geaccrediteerde als geaccrediteerde zorgbestuurders aanstellen (en beoordelen). De Beer voelt zich gesteund door staatssecretaris Van Rijn, die achter de accreditatie staat. ‘We zijn er lang mee bezig geweest en hebben het allemaal goed onderbouwd.’ Verder onderstreept De Beer het verschil tussen de beoordeling ten behoeve van de accreditatie en de beoordeling binnen de zorgorganisatie. ‘Je hebt te maken met iemand die in een bepaalde context van de organisatie actief is. We toetsen iemand niet in de context van de organisatie, maar als persoon. De accreditatie is een middel om het individu te blijven ontwikkelen. Het systeem moet zich de komende jaren gaan bewijzen. We zullen daar ook onderzoek naar gaan doen.’ De Beer onderstreept ook het verschil met de geschiktheidstoets van De Nederlandsche Bank. DNB bepaalt of je een “rijbewijs” krijgt. Met de NVZD-accreditatie mag je al autorijden, alleen word je een nog betere bestuurder, is de idee achter de accreditatie. De Beer: ‘Accreditatie is geen doel op zich, maar een middel.’

Schijnzekerheden

Pelzer pleit voor het verder investeren in de kwaliteit van bestaande systemen die moeten bijdragen aan het bewaken van goed bestuur, primair de Raad van Toezicht, maar indirect ook de Inspectie. ‘Door het stapelen van controle- en toezichtmechanismen creëren we schijnzekerheden en lopen we kans op verwatering van het verantwoordelijkheidsgevoel van de afzonderlijke spelers.  En als het misgaat, wordt de verontwaardiging in de samenleving nog groter. Kijk naar Vestia: naast de raad van commissarissen keken de WSW, het Centraal Fonds Volkshuisvesting en het ministerie mee, en toch ging het fout. Ik denk dat je voorzichtig moet zijn met de verwachtingen ten aanzien van de accreditatie en dat een rem moet worden gezet op steeds meer of andere regels als antwoord op  incidenten’. De Beer: ‘De accreditatie is geen lintje waarmee je als bestuurder te koop moet lopen. We pretenderen niet de holy grail te hebben gevonden. Maar niks doen is ook geen optie.’ Over de grootste toegevoegde waarde van de accreditatie zegt De Beer: ‘Het is een instrument dat duidelijk maakt dat een bestuurder consequent aan de ontwikkeling van zijn vak als bestuurder werkt.’ Voorlopig gaat de NVZD de accreditatie niet dwingend opleggen aan de eigen leden. Leden buiten de NVDZ kunnen voorlopig geen accreditatie krijgen.

http://www.nvzd.nl/

Auteur(s)
Ronald Buitenhuis
Dit artikel is gepubliceerd in
GU2014mei

Nationaal Register

Jan van Nassaustraat 93
2596 BR Den Haag
T 070-324 30 91
info@nationaalregister.nl

Volg ons op social media

Governance Update nieuwsbrief