Gewillig naar de slachtbank

Is de structuurregeling een blote formaliteit?

Bij Philip Morris stelt de RvC zich op als een machteloze partij, constateert Rienk Goodijk van GITP. Het wordt volgens Goodijk tijd om ‘de principes van evenwichtig ondernemingsbestuur waar we in Nederland nog steeds zo prat op gaan, nog eens kritisch te doordenken’. En: ‘Wat mogen we eigenlijk verwachten van een voordrachtscommissaris?’

In Nederland bestaat al ruim veertig jaar de structuurregeling. Deze regeling verplicht structuurvennootschappen tot het instellen van een RvC. Aangezien de RvC bepaalde goedkeuringsrechten heeft en er voor alle stakeholders moet zijn, kan de RvC beschouwd worden als een zekere bescherming van de eigen onderneming tegen te agressieve invloeden ‘van buiten’. Ook na de wijziging van de structuurregeling in 2004 toen aandeelhouders een sterkere positie hebben gekregen, blijft de RvC van wezenlijke betekenis voor de onderneming. De werknemers kunnen bovendien via de ondernemingsraad een aantal leden van de RvC voordragen. Per 2004 is het gewone aanbevelingsrecht van de OR zelfs uitgebreid tot een versterkt (‘bindend’) voordrachtsrecht voor een derde van de RvC.

Machteloos

Maar we kunnen ons afvragen of de structuurregeling daadwerkelijk iets voorstelt als het er echt om gaat. Terwijl we in de cases van Corus/Hoogovens (vóór 2004) en Organon/MSD (ná 2004) in ieder geval nog zagen dat de RvC zich strijdlustig opstelde en ook de betreffende COR zich bij de oppositie tegen de aandeelhouder aansloot, constateren we bij de huidige Philip Morris kwestie dat de RvC zich als een ‘machteloze’ partij opstelt en de Nederlandse onderneming gewillig naar de slachtbank laat leiden. Of vergis ik mij daarin? Natuurlijk, Philip Morris Holland is onderdeel van een internationale onderneming, staat op grote afstand van de moedermaatschappij, heeft commissarissen die benoemd zijn door Philip Morris en heeft vanwege het verzwakt regime wat minder positie in de besturing. Maar nog steeds wordt de RvC geacht de principes van evenwichtig ondernemingsbestuur op lokaal niveau gestalte te geven.

Hoe moeilijk ‘het spel’ met een Angelsaksische aandeelhouder ook mag zijn, van de RvC van Philip Morris in Nederland mag volgens mij in ieder geval worden verwacht dat hij:

  • Zich al vroegtijdig en inhoudelijk heeft beziggehouden met de vraag hoe de toekomst van Philip Morris zo goed mogelijk gegarandeerd kan worden, aangezien al veel langer duidelijk is dat er sprake is van een groeiende overcapaciteit.  (Ik heb begrepen dat de OR via de Europese OR al langer zorgen daarover heeft geuit.)
  • Zich inmiddels een stevig oordeel heeft gevormd over het internationale investeringsprogramma van Philip Morris en de inhoudelijke argumenten om juist Philip Morris Nederland te gaan saneren. Dat zou moeten betekenen dat de RvC zich intensief heeft beziggehouden met de resultaten van de studie van het internationaal moederbedrijf en de scenario’s serieus heeft beoordeeld aan de hand van eigen criteria. Het is te gemakkelijk om je als RvC bij voorbaat ‘machteloos’ te achten.
  • Bij de uiteindelijke beoordeling van de voorgenomen beslissing van de aandeelhouder (PMI) een zorgvuldige afweging zal maken tussen de verschillende belangen, ook die van de lokale onderneming en de betreffende werknemers. Niet voor niets gaat onze structuurregeling er toch vanuit dat de RvC, ook al bestaat die inmiddels voor de helft uit vertegenwoordigers van PMI, zich richt naar het belang van de Nederlandse onderneming en daarbij alle belangen evenwichtig afweegt?
  • Contact zoekt met onder andere de OR (die adviesrecht heeft ten aanzien van de voorgenomen sanering) en zich rekenschap geeft en verantwoordt over de mate waarin en de wijze waarop de raad zijn toezicht uitoefent en mogelijkheden benut. Met name ook van de voordrachtscommissaris mag toch worden verwacht dat dat hij/zij namens de RvC uitleg geeft aan de OR?

Onderbenutting

De structuurregeling biedt toch niet voor niets de mogelijkheid tot een zekere bescherming van de Nederlandse onderneming? Of is de regeling in de ‘harde praktijk’ slechts een blote formaliteit? Of nog erger: zal ook hier weer sprake zijn van onderbenutting, zoals we al zo vaak in onderzoek hebben moeten vaststellen? Het wordt de hoogste tijd, lijkt me, om de principes van evenwichtig ondernemingsbestuur waar we in Nederland nog steeds zo prat op gaan, nog eens kritisch te doordenken. En ons daarbij vooral nog eens af te vragen wat de OR nou eigenlijk van zijn voordrachtscommissaris mag verwachten.

http://www.gitp.nl

Auteur(s)
Rienk Goodijk
Dit artikel is gepubliceerd in
GU2014mei

Nationaal Register

Jan van Nassaustraat 93
2596 BR Den Haag
T 070-324 30 91
info@nationaalregister.nl

Volg ons op social media

Governance Update nieuwsbrief