‘Er zitten veel mensen in de top op de verkeerde plek’

Interview
6e commissarissenonderzoek Grant Thornton:

Commissarissen vinden dat de evaluatie van raad van bestuur-leden beter kan. Beter móet. Onderliggend is er sprake van een prangender vraagstuk, zeggen onderzoekers Aalt Klaassen en Herbert Rijken. ‘Kijk je door de cijfers heen, dan zeggen de commissarissen eigenlijk: we hebben lang niet altijd de juiste benoemingen gedaan.’

Voor de zesde keer in successie is het door Grant Thornton en dit jaar ook door Jonathan Warner gesponsorde commissarissenbenchmark-onderzoek gedaan. Dit jaar wordt het rapport in vier afzonderlijke delen gepresenteerd. Uit deel 1 bleek al dat commissarissen vinden dat de werkgeversrol aan belang heeft gewonnen; dat staat zelfs voor het eerst bovenaan. In deel 3 en 4 worden controlemechanismen/informatiesystemen buiten de raad van bestuur om bekeken, alsmede teamrollen en persoonlijk functioneren. In deel 2, het deel dat nu is vrijgegeven, wordt de evaluatie van RvC en RvB belicht.

Aalt Klaassen, wat is de belangrijkste conclusie als we naar de evaluatie van RvC en RvB kijken?

‘Commissarissen vinden dat evaluatie van hun eigen raad nog wel voor verbetering vatbaar is, maar vinden vooral dat de evaluatie van de raad van bestuur tekortschiet.’

Onderliggend concludeert u eigenlijk iets anders.

‘Ja. Als je zegt dat de evaluatie van de RvB beter moet, dan ben je dus kennelijk niet tevreden over hoe dat tot nu toe is gegaan. Het belang dat commissarissen aan de evaluatie van de RvB hechten, is dit jaar weer op het niveau gekomen van “zeer belangrijk”. Als ik de data analyseer en koppel aan de interviews met de commissarissen, zeggen veel respondenten eigenlijk: we zijn lang niet altijd even tevreden met de benoemingen in de raad van bestuur die wij (of voorgangers) gedaan hebben. Ook andere onderdelen uit ons onderzoek die later worden gepubliceerd, zoals persoonlijke competenties, wijzen daarop. Je kunt dat overigens ook positief uitleggen. Er is sinds de crisis in 2008 een duidelijk besef ontstaan dat toezicht anders moet. Vooral begint het besef door te dringen dat sturen op bijvoorbeeld winst te eenzijdig is. Commissarissen tonen steeds meer interesse in niet-financiële criteria, criteria die verdergaan dan winst. Maar dat kan dus wel betekenen dat je na een goede evaluatie concludeert dat je andere mensen aan de top nodig hebt. Het tekortschieten van de huidige evaluatie heeft mijns inziens veel te maken met de trend dat we anders naar bedrijven gaan kijken. Ik denk dat we aan de vooravond van een trendbreuk staan. Old boys zijn uit, we hebben meer diversiteit in raden van bestuur nodig, omdat we breder, meer Rijnlands, naar organisaties kijken. Laat ik het nog stelliger zeggen: ik denk dat in het verleden vooral mensen zijn geselecteerd vanuit winstdenken. Zeventig procent van de criteria die voor evaluatie worden gebruikt, zijn gebaseerd op cijfers over winst en rendement. Die mensen zitten dus steeds minder op de goede plek als je breder kijkt dan alleen naar winst. Let wel, daarmee zeg ik niet dat er geen goede mensen in RvB’s zitten, maar evaluatie moet uitwijzen of ze nog wel bij de visie van de onderneming passen. Zowel commissarissen als bestuurders zouden zichzelf veel vaker langs een meetlat moeten leggen of ze nog wel passen bij de fase waarin een onderneming zit. Maar zoals gezegd, ik zie echt een trendbreuk. Bij een bedrijf als Shell dwingen aandeelhouders duurzaamheid af. In je evaluatie moet  je dus misschien concluderen dat je ook mensen in de RvC en de RvB moet hebben die daar iets van afweten.’

U concludeert ook dat er een mismatch zit tussen remuneratie en evaluatie.

‘De onderzochte commissarissen zeggen dat ze grosso modo tevreden zijn over het remuneratiebeleid. Ik vind dat gek, als je tegelijkertijd zegt dat de evaluatie tekortschiet. Kennelijk wordt remuneratie als los onderdeel beoordeeld, terwijl ik vind dat je naar gehelen moet kijken. Er wordt onvoldoende systematisch gekeken. Binnen remuneratie moeten er ook criteria zijn als HR, klanttevredenheid en duurzaamheid. Maar die zijn er zelden of worden matig meegewogen. Dan  kun je dus volgens mij ook niet tevreden zijn over beloning, als de evaluatie uitwijst dat het in de top anders moet.’

U verbaast zich ook over het belang van HR in het commissariaat.

‘Als je vindt dat werkgeverschap je belangrijkste taak is, moet je ook enige kennis van de HR-discipline hebben. Ik zie dat zelden terug in raden van commissarissen. Als je nadenkt over de samenstelling, constateer ik ook dat het gros van de bestuurders vooral wordt afgerekend op financiële indicatoren. In termen van HR moet dat echt anders. Ook vijf ceo’s of oud-ceo’s in de raad van commissarissen is de dood in de pot. Het zijn klonen. Pak de teamrollen van Belbin er eens bij, zeg ik dan.’

Is het niet teleurstellend dat we nog steeds zo weinig opgeschoten zijn in het toezicht?

‘Ik zie echt verbetering de laatste jaren. De trend is gezet, maar er moet inderdaad nog veel kritischer naar de inhoudelijke rol van de commissaris gekeken worden. Commissarissen zitten er vaak nog te veel vanuit hun bestuurdersrol. Het zelfkritisch vermogen is te laag. Iemand uit de woningcorporatiesector vroeg me bij een lezing: zijn wij onbewust onbekwaam? Ik heb het bevestigend beantwoord. Nogmaals, de trend is positief, maar het gaat me allemaal nog te langzaam.’

Jullie constateren in het gehele onderzoek ook dat commissarissen van woningcorporaties nogal zelftevreden zijn.

‘De woningcorporatiecommissarissen achten van het totaal aantal mogelijke verbeteropties voor 25% een verbetering wenselijk, voor 75% dus niet. In andere sectoren ligt dat percentage veel hoger,  gemiddeld vinden de ondervraagden dat voor 43% van de opties verbetering wenselijk is. Dus of ze doen het in de woningsector heel goed, of er is sprake van een enorme bias. Voor een sector die zo onder vuur ligt, vind ik het een opmerkelijk laag percentage.’

Tot slot, vooruitkijkend op deel vier van jullie onderzoek. In het commissarissen onderzoek wordt onder meer de vraag gesteld: hebben commissarissen en bestuurders humor? Wat is het antwoord?

‘Commissarissen vinden van zichzelf dat ze redelijk humorvol zijn. Als complete raad mag het nog wat vrolijker. Maar ze vinden collectief dat het met humor in de raad van bestuur mager is gesteld.’ Niet alleen evaluatie is dus een verbeterpunt, ook aan de lach in de bestuurskamer mag nog wel worden gewerkt.

Klik hier voor meer informatie over het onderzoek. 

Auteur(s)
Ronald Buitenhuis
Dit artikel is gepubliceerd in
GU2015mei

Nationaal Register

Jan van Nassaustraat 93
2596 BR Den Haag
T 070-324 30 91
info@nationaalregister.nl

Volg ons op social media

Governance Update nieuwsbrief